Jezus
Johannes de Doper komt vanmorgen tot getuigenis: “Zie daar, het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld!” Toe maar: álle zonden nog wel? Wil Hij alle zonden op zijn nek nemen? Wil Hij alle tekortkomingen van mensen op zijn schouders wegdragen?
Vroeger waren er koninklijke families die een Prügelknabe in dienst hadden. Dat was een gewoon volkskind, even oud als de prins of het prinsesje, op dezelfde dag en op het zelfde uur geboren. Als de prins of het prinsesje stout was geweest, kreeg het volkskind de verdiende straf. Zo werd er voldoening geschonken aan de roep om gerechtigheid. De fout werd door ‘n ander goedgemaakt! Zoiets is in onze tijd onmogelijk. Maar waarom maken we van Jezus dan wel een Prügelknabe? Jezus is geen goddelijke plaatsvervanger, geen zondenbok die namens ons de woestijn in wordt gestuurd.
Wat is dan de zonde van de wereld? Het is de zonde die te maken heeft met alle wantrouwen. Volgens Jezus moet deze wereld een aanzet worden voor het nieuwe Rijk van God. In de Liturgie hebben wij in het Agnus Dei, het Lam Gods, van deze zonde meervoud gemaakt. Johannes spreekt over de zonde van de wereld; in de liturgie zingen we over de zonden der wereld. En dat mag best als we maar weten dat die zonden te maken hebben met die éne zonde: dat we er niet voor elkaar willen zijn, zoals God er is voor ons!
Zonde is ‘t als we alleen maar onze eigen schaapjes op het droge willen hebben; als we macht uitoefenen op school, thuis of op ‘t werk; als we over de ruggen van anderen zo snel mogelijk rijk willen worden. Zo baart die ene zonde ‘n menigte van andere zonden, die voeren naar dood en ondergang. Jezus heeft ons weg willen voeren uit de wereld van de zonde. Hij heeft dat gedaan door de wereld haar werkelijke zin te tonen. Hij heeft dat zelf voorgeleefd: Hij wilde niet de boventoon voeren, noch op de eerste rij plaatsnemen. Hij waste de voeten als een slaaf…
Zie het Lam Gods: het toont ons de zin van ons leven. We mogen leven voor elkaar, zoals God er wil zijn voor ons. Elkaar vertrouwen durven geven, ook als dat vertrouwen soms ernstig wordt beschaamd. Dan groei je, niet alleen in vertrouwen, maar ook in geloof en liefde. Dan krijgt het wonder alle kans om zich ook te voltrekken in ons eigen bestaan.
Er is niets dat het even zo kan ondermijnen dan wantrouwen, elkaar geen vertrouwen durven geven. Altijd tegenover elkaar blijven staan en altijd een slag om de arm houden. Wanneer wij geen vertrouwen hebben in elkaar, komen we ook nooit tot geloof in elkaar. En waar mensen niet meer in elkaar geloven, valt er niet verder te leven en te werken. Dan kun je doen wat je wilt, maar je komt geen stap verder. Vertrouwen in elkaar, geloven in elkaar kun je niet aanpraten. Je kunt elkaars vertrouwen niet kopen, je krijgt dat vertrouwen helemaal voor niets. Vertrouwen in elkaar, niet om er zelf beter van te worden, maar uit respect voor elkaars leven en eerlijke bedoelingen, hoe verkeerd die soms ook uit mogen vallen.
Wantrouwen ontstaat vaak waar mensen elkaar veel te dicht op de huid zitten. En als het waar is wat anderen vertellen, dan zou dat wel eens consequenties kunnen hebben voor ons eigen leven! Daarom blijven we maar liever op een afstand en verschuilen we ons achter wantrouwen. Wantrouwen is naar mijn gevoel één van de grootste zonden die deze wereld kent. ‘t Is zonde, zware zonde, als mensen elkaar niet meer vertrouwen. En hoeveel ouders, kinderen, buren, broers en zussen, zelfs hele landen en werelddelen, staan wantrouwend tegenover elkaar? Dat is zonde, doodzonde van al die mensen.
Ook Jezus heeft de vernietigende kracht van het wantrouwen aan eigen lijve ervaren. Hij werd in zijn eigen dorp Nazareth gewantrouwd bij het leven. Wat had Hij een grote mond: die timmermanszoon! Wat verbeeldt Hij zich wel? Is Hij soms beter dan wij? Natuurlijk voelde zijn dorpsgenoten wel dat hun Jezus met wijsheid sprak, maar wijze woorden accepteren van iemand die je kent is wat te veel gevraagd! We vereren onze helden, mits ze maar op een afstand blijven. Als ze te dichtbij komen dan lijken het net gewone mensen: dan vallen ze vies tegen! Daarom is het ook zo moeilijk om het profetische te ontdekken in mensen met wie je dagelijks omgaat. Je kind kan alle wijsheid van de wereld hebben, maar daarom hoeft hij het niet te zeggen, zo’n snotneus!
Naarmate je de wereld beter kent, word je wat voorzichtiger met je woorden. Een vreemde kun je nog wel de waarheid zeggen, maar je vriend of je vriendin, of je collega? We vinden het vaak veel moeilijker om eerlijk te zijn tegenover mensen die we goed kennen. Dan moet je je woorden wikken en wegen. We houden er immers niet van op onze plaats gezet te worden. Je kent ook de zwakke plekken van de ander en je zult onmiddellijk met gelijke munt terugbetalen! En dat is niet bevorderlijk voor de groei van de onderlinge liefde en trouw.
In Jezus zien ze niet meer dan: de zoon van een bouwvakker. En ze houden aan dat beeld vast. Dat geeft een gevoel van veiligheid. En zo geef je mensen geen groeiruimte meer. Dat is zonde, doodzonde van de ander, maar ook van jou. Als kinderen voortdurend van hun ouders te horen krijgen dat ze nog te jong zijn, kunnen ze op het laatste niets meer. Als echtgenoten, collega’s en vrienden elkaar voortdurend klein houden, zijn we tot veel minder in staat. Dan is ook elk wonder uitgesloten. Dat heeft Jezus aan den lijve ervaren. Johannes vertelt dat Jezus onverrichterzake wegging uit Nazareth: Hij kon er geen enkel wonder doen. Wonderen vragen immers om groeiruimte, om vertrouwen, om liefde, om geloof in elkaars krachten.
Johannes de Doper had vertrouwen in zijn neef Jezus van Nazareth. Hij geloofde in Hem. Dat bleek vorige week al, toen we het verhaal hoorden van Jezus’ doop in de Jordaan. Vandaag roept hij in zijn enthousiasme: “Achter mij komt een man die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik. Ook ik kende Hem niet” “Zie, het Lam Gods”. Een wonderlijk beeld. Beeld van een Goede Herder die zelf Lam geworden is… het Lam Gods.





